Art. 42.

De dorpsstraat

“De kloof tussen burger en politiek”, “het democratisch deficit” of “de dorpsstraat herkent zich niet in de wetstraat”. Zodra de extremen op winst staan, struikelen analisten elkaar over de voeten om te benadrukken hoe belangrijk het is de band tussen burger en politiek weer te versterken. Allen leggen ze hun vinger op dezelfde wonde waarna een nieuwe regering in haar regeerakkoord de belofte van politieke vernieuwing opneemt.

Ook vandaag bevinden we ons in zo’n periode. Volgens de meest recente peiling stemt 6,5% voor PVDA en maar liefst 26,3% voor het Vlaams Belang. Daarmee doet extreemrechts nog eens 8 procentpunt beter dan haar laatste verkiezingsresultaat. Anders gesteld: als er morgen verkiezingen zouden zijn, zouden onze parlementen voor meer dan een derde bevolkt worden door vijanden van de liberale democratie. Het zijn cijfers die net als bij vorige Zwarte Zondagen zwart op wit de bodemkoers bevestigen waarop het vertrouwen in de politiek zich bevindt. En dat vertrouwen staat vandaag lager dan ooit.

Niet eens één op de vijf Vlamingen gelooft dat politici zelfs maar proberen hun beloftes na te komen. Twee op de vijf is ervan overtuigd dat ze corrupt zijn. En ruim de helft vindt dat ze niet vatten wat er leeft in de samenleving. De tijd dat we onszelf de vraag konden stellen of het huis in brand staat, ligt achter ons. Er moet geblust worden. En daarbij is het van belang dat we ons voor eens en voor altijd richten op de bron van het vuur: de particratie.

Beloftes van politieke vernieuwing ten spijt, durven politieke partijen echter zelden zo ver te gaan. Zelfs wanneer de gekoesterde liberale democratie onder vuur ligt, aarzelen de verzamelde democratische partijen om hun eigen rol in vraag te stellen. Telkens opnieuw beperken ze zich liever tot symptoombestrijding in de verwachting dat de storm weer zal gaan liggen. De heisa van de afgelopen weken over de partijfinanciering is daarvan het beste voorbeeld. Het is namelijk niet de eerste keer dat we dit debat voeren.

Malgoverno

Midden jaren ’80 brandmerkte Herman Van Rompuy het falende beleid met de Italiaanse term “Malgoverno”. Het was een periode waarin een communautaire en economische crisis samenkwamen met ontspoorde publieke financiën als gevolg. Maar er was meer aan de hand dan enkel dit. De periode werd ook gekenmerkt door corruptieschandalen waarbij in ruil voor de toekenning van publieke aanbestedingen de partijkassen werden gespijsd op weg naar een zoveelste verkiezing. Van de RTT- en Ibramco-affaire begin jaren ’70 tot de Uniop- en Agusta-affaire begin jaren ’90, kelderde het vertrouwen in de democratische partijen.

Het gevolg laat zich voorspellen. In ‘88 vierde het Vlaams Belang bij de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen haar eerste echte doorbraak. De dorpsstraat had van zich laten horen. Om de brand niet te laten overslaan, sloten de democratische partijen het befaamde cordon sanitaire. En met de wet D’Hoore werd de partijfinanciering herzien en de verstrengeling van bedrijfs- en politieke belangen eindelijk een halt toe geroepen. Voortaan kregen politieke partijen een royale dotatie om aan de lokroep van het smeergeld te weerstaan. Het symptoom was bestreden, de storm kon gaan liggen. Alleen: aan de particratie werd niet geraakt, het vuur kon blijven smeulen.

De afgelopen weken zorgde een reeks beschuldigingen voor de vonk die het vuur weer deed uitslaan. Het debat over de partijfinanciering werd heropend. De cijfers zijn dan ook hallucinant. Jaarlijks laven onze politieke partijen zich intussen aan 70 miljoen euro belastinggeld. Hun Nederlandse tegenhangers moeten het met een vierde van dat bedrag doen. Een cheque die onze partijen bovendien aan zichzelf uitschrijven, wat partijen met angst voor peilingen en verkiezingsuitslagen alvast niet aanmoedigt dit bedrag naar beneden bij te stellen – een eufemisme. Bovendien is de definitie waaraan deze middelen besteed mogen worden, quasi onbestaande. Het resultaat is dat de beste huisvaders onder onze partijen deze blanco cheque zijn gaan gebruiken om te investeren in vastgoed en aandelenportefeuilles. Gevolg? Politieke partijen die voor hun financieel overleven immuun zijn geworden voor verkiezingsnederlagen.

Populisten spinnen er garen bij, de extremen staan op winst. Het “Malgoverno” is terug van nooit weggeweest. De partijfinanciering is daarbij slechts één symptoom van een dieperliggend probleem. Eén voorbeeld van de manier waarop onze particratie een wig drijft tussen politiek en kiezer en zo de werking van onze liberale democratie ondergraaft.

Achterkamers

Steeds meer mensen hebben namelijk het gevoel dat er eersterangs- en tweederangsburgers zijn en dat zij tot die tweede groep behoren. Ze willen gehoord worden, willen dat hun stem er toe doet. Maar telkens opnieuw merken ze dat de uiteindelijke beslissingen genomen worden in achterkamers. De manier waarop partijen zichzelf financieren, geeft hier een tastbaar gezicht aan. Dat de lobbycratie deze achterkamer eind jaren ‘90 verlaten heeft, doet er dan niet toe. De particratie schuift er nog altijd aan tafel om belastinggeld onder elkaar te verdelen.

De verdeling van het geld is bovendien niet het enige waarover in de achterkamers van de macht beslist wordt. Een handvol mensen bepaalt er simpelweg de koers van het land. De partijhoofdkwartieren beslissen, regeringen voeren uit en parlementsleden geven toestemming met een druk op de knop. De zesde staatshervorming werd door acht mensen onderhandeld en vervolgens braaf gestemd door 150 loyale parlementsleden. Meerderheid versus oppositie.

Dissidentie is namelijk onbestaande, de cohesiecijfers van de fracties zijn zo goed als absoluut. Vorige legislatuur was er in de kamer welgeteld één parlementslid dat het aandurfde tijdens een parlementaire stemming de partijdiscipline naast zich neer te leggen. Voor alle andere parlementsleden met gewetenswroeging is er maar één vluchtweg: de koffiekamer. In onze parlementen heerst niet meer of niet minder dan een ‘kadaverdiscipline’.

Dat komt omdat ook hier opnieuw de wet van de particratie geldt. De partij bepaalt wie kans maakt om verkozen te raken met de plek die ze je toebedeelt op de kieslijst. Zo wist in 2019 welgeteld één van de 150 kamerleden een zitje te veroveren vanop een niet-verkiesbare plaats. Dat is goed voor 0,67%. De plaats die je krijgt op een lijst, bepaalt met andere woorden voor meer dan 99% je kansen om verkozen te raken. Parlementsleden hebben hun zitje niet te danken aan de kiezer, maar aan hun partij. En dus plaatsen ze het partijbelang boven het algemeen belang. Opnieuw hebben kiezers het gevoel dat hun stem er niet toe doet. De proteststem is het gevolg.

Onze parlementen vervullen hun rol als eerste macht niet meer. Ze worden gedomineerd door regeringen en kabinetten. In het parlementair jaar 2016-2017 werden er slechts 34 wetten op initiatief van het parlement goedgekeurd tegenover maar liefst 183 wetten die opgesteld werden door de regering. Om deze wetten goedgekeurd te krijgen, stellen de kabinetten debatfiches op voor hun parlementsleden. Spiekbriefjes met voorgekauwde argumenten die ze mee mogen nemen naar het halfrond.

Parlementen zijn op die manier verworden tot schone schijn. Volksvertegenwoordigers als toneelspelers op de bühne die het beste van zichzelf geven terwijl in de coulissen de deals worden beklonken. Nochtans staat of valt een liberale democratie met de weerbaarheid van haar parlement. Daar en nergens anders situeert zich de toegang tot en controle op de macht van de burger. Die deur sluit zich hoe langer en hoe meer. En die tendens neemt toe.

Dat volgt uit de zogenaamde wet van de zwakke instellingen. Als een instelling zwak is, zullen de meest waardevolle talenten haar mijden, waarop de instelling verder verzwakt. Dat zagen we afgelopen jaar opnieuw toen beloftevolle parlementsleden als Jessika Soors en Jan Bertels hun kamerzitje opgaven om aan de slag te gaan op een ministerieel kabinet.

De eerste verantwoorde haar keuze als volgt: “Nu krijgen we de kans om het beleid ook echt te gaan bepalen.” Een beloftevol parlementslid geeft met andere woorden zelf aan dat haar democratisch verkregen mandaat haar minder invloed biedt dan dat van een niet verkozen kabinetsmedewerker. Je kan haar de overstap dan ook niet kwalijk nemen, hoogstens betreuren.

Wel moet het een signaal zijn om actie te ondernemen. Om de vicieuze cirkel die de wet van de zwakke instellingen is te doorbreken. Dat kan alleen door onze parlementsleden te verlossen uit de houdgreep van de partijhoofdkwartieren. Het zijn analyses die trouwens eerder dit jaar al messcherp naar voor kwamen in het boek "coming in" van Sihame El Kaouakibi.*

Artikel 42

De eindverantwoordelijkheid voor het afgebrokkelde wantrouwen in onze liberale democratie, ligt bij onze democratische partijen zelf. Een hervorming van de manier waarop ze zichzelf financieren zoals midden jaren ’80, door de groep die de achterkamers bevolkt te verkleinen, zal daarbij niet volstaan. Het zal erop aankomen de achterkamers zelf definitief te sluiten en de controle van de particratie op onze samenleving te doorbreken.

Hoe? Door terug te keren naar ons mooiste exportproduct van de 19de eeuw: onze liberale grondwet. Daarin wordt het woord “partij” niet één keer vermeld. Maar worden daarentegen wel nadrukkelijke rechten en plichten toegekend aan onze parlementen en haar vertegenwoordigers. Eén van de hoekstenen van onze parlementaire democratie werd daarbij vastgelegd in grondwetsartikel 42:

“GW Art 42. De leden van beide Kamers vertegenwoordigen de Natie en niet enkel degenen die hen hebben verkozen.”

Het artikel garandeert parlementsleden dat zij niet gebonden zijn door instructies of eisen die ze zouden krijgen van hun partij, hun fractie of van belangengroepen - neen zelfs niet van hun kiezers. Maar verplicht hen in alle onafhankelijkheid te debatteren en op basis van het debat hun oordeel vormen. Het is een parlement dat recht doet aan haar etymologische oorsprong: het Franse parler en zo het algemeen belang laat zegevieren boven het partijbelang.
De enige manier waarop we de kloof tussen burger en politiek kunnen dichten, het democratisch deficit kunnen ombuigen, de dorpsstraat kunnen verzoenen met de wetstraat, is door grondwetsartikel 42 opnieuw in ere te herstellen. Wij vuren alvast graag een schot voor de boeg.


De weg uit de particratie

1. Rechtstreekse financiering parlementsleden

In 2016 bedroeg het vermogen van de rijkste partij van het land, met name de N-VA, bijna 39 miljoen euro. Ter vergelijking: de VVD, een goed vergelijkingspunt als grootste Nederlandse partij, noteerde op dat zelfde moment een vermogen van ‘slechts’ 8 miljoen euro. Dit is duurzaam noch gezond en institutionaliseert de afhankelijkheid van parlementsleden van hun hoofdkwartier. Daarom hervormen we de financiering waarbij we middelen verschuiven, weg van de partijen en fracties, richting de individuele parlementsleden die allen een forfait aan werkingsmiddelen krijgen uitgekeerd.

2. Rechtstreekse financiering kandidaat-parlementsleden

De campagnefinanciering zorgt er vandaag voor dat niet elke kandidaat met gelijke wapens naar de kiezer trekt. Boegbeelden en een (beperkt) aantal signaalkandidaten hebben namelijk een hoger uitgavenplafond. Waarbij hun campagne bovendien ook nog eens (voor een groot stuk) gefinancierd wordt door de partij. Al de andere kandidaten mogen veel minder uitgeven én moeten hun campagnemiddelen zelf ophoesten. Dit vergroot de controle van de partij op haar kandidaten want wie te vaak afwijkt van de partijlijn, kan gestraft worden met een slechte plaats op de lijst en dus een lager campagnebudget.

Daarom stellen wij voor dat elke kandidaat niet langer gefinancierd wordt via de partij maar rechtstreeks een forfait krijgt aan middelen om de persoonlijke campagne (deels) te financieren. En dat elke kandidaat, of deze nu derde dan wel zeventiende staat, hetzelfde uitgavenplafond wordt opgelegd.

3. Partijleden als parameter voor partijdotatie

Zoals onder aanbeveling één aangegeven, verschuiven we de middelen van de fracties en partijen richting de individuele parlementsleden. De verlaagde partijdotatie die overblijft, wordt bovendien niet langer enkel en alleen vastgelegd op het aantal behaalde stemmen en het aantal verkozenen in het parlement. Daardoor moeten partijen immers uitsluitend op de verkiezingen focussen en nauwelijks nog andere inkomsten zoeken. Hier voeren we daarom nieuwe parameters in.

Elke partij krijgt een bescheiden forfait aangevuld met een matchingsysteem waarbij voor elke euro die partijen binnenhalen uit privé- en ledengiften, de overheid er een halve euro naast legt. Giften blijven zoals vandaag beperkt tot natuurlijke personen en worden geplafonneerd op 1500 euro. Hierdoor zullen partijen meer aandacht besteden aan hun relatie met de leden, wat de kloof tussen politiek en kiezer kan dichten. Partijen zullen sterkere aandeelhouders krijgen tegenover wie de partijtop zich moet verantwoorden. En partijen die (nog) niet in het parlement zitten krijgen zo de kans om te groeien.

4. Studiedienst voor het parlement

Wanneer een parlementslid vandaag de vraag stelt iets te onderzoeken, wordt deze vraag gericht aan de regering. Waarna het onderzoek op het bureau van de bevoegde minister terechtkomt. Dit ondergraaft de controlefunctie van het parlement. Elk parlement hoort een eigen studiedienst en budget te hebben die los functioneert van de fracties. Studiediensten die eigen werk opleveren richting de parlementsleden, maar ook door de verschillende commissies of de plenaire vergadering kunnen belast worden met inhoudelijke vraagstukken.

5. Kleinere kieskringen

We stappen af van de provinciale kieskringen en gaan voor meer en kleinere kieskringen. We zorgen op die manier voor een persoonlijkere band tussen kiezer en politicus, wat opnieuw leidt tot meer vertrouwen en een afname van partijmacht. De zogenaamde kortere feedbackloops zorgen ervoor dat nationale politici lokaal zijn ingebed en meer rechtstreeks contact hebben met de burger. Daarnaast is het voor de burgers duidelijker wie ze verantwoordelijk moeten stellen voor slecht beleid waardoor politici zich verantwoordelijker zullen gedragen.

6. Afschaffing lijststem en opvolgerslijst

De lijststem en opvolgerslijsten schaffen we af. Kandidaten moeten op eigen merites en op eigen kracht worden verkozen. De kiezer bepaalt wie in het parlement zetelt, niet de partijvoorzitter die de rangschikking op de lijst vastlegt.

7. Panacheren

We maken het mogelijk om op verschillende lijsten te stemmen, om te ‘panacheren’. Soms zijn de ideologische verschillen tussen twee kandidaten op verschillende lijsten minder groot dan de ideologische verschillen binnen één partij. Het is dan ook perfect mogelijk dat een burger op twee kandidaten wil stemmen die niet tot dezelfde partij behoren. Op deze manier maken we samenwerking in het parlement en tussen volksvertegenwoordigers gemakkelijker.

8. Aparte verkiezingen voor wetgevende en uitvoerende macht

We voeren aparte verkiezingen in voor de wetgevende (parlement) en de uitvoerende macht (regering). De verkiezingen hoeven niet samen te vallen. Burgers kiezen hun regeringsleider rechtstreeks, voor maximaal twee termijnen. Vervolgens kiezen ze dan de vertegenwoordiging die de regeringsleider en zijn of haar ploeg moet controleren. Er komt een duidelijke scheiding tussen regering en parlement, waardoor de regering moet onderhandelen met het parlement, in plaats van het te domineren.

9. Parlementaire hearings

Nadat de regeringsleider de verschillende ministers heeft voortgedragen, worden deze onderworpen aan een parlementaire hearing naar het model van het Europees Parlement. Dit laat toe dat het parlement de ministers kan controleren op hun geschiktheid en de parlementaire controlefunctie reeds van bij de eedaflegging wordt uitgeoefend.

10. Minder kabinetten, betere administraties

We schaffen de kabinetten af zoals deze vandaag bestaan. De ministeriële staf wordt zo beperkt tot een maximum van 8 medewerkers. Ministers steunen voor hun beleid op hun administraties. De topambtenaar wordt door de minister aangeduid, maar moet wel slagen voor een examen dat wordt afgenomen door een onafhankelijk bureau. Enkel de meest sterke profielen verdienen het om beleid aan te mogen sturen.

 

Auteurs: Philippe Nys, Arthur Orlians en Jan Pieter Biesemans

Ondertekend door Tess Minnens, nationaal voorzitter Jong VLD
en volgende bestuursleden van Jong VLD:

Tristan Boedts, Tim Bogaert, Ayoub El Azzaoui, Armel de Schreye, Sébastien Dewailly, Dieter Goovaerts, Lennert Hansen, Soetkin Jehaes, Maxim Laporte, Matthias Leenknecht, Michelle Lombaert, Bram Meeuw, Simon Mertens, William Mostmans, Arno Paulus, Lore Roelandts, Gertjan Roels, Joris Sangers, Benjamin Torfs, Sepp Tyvaert, Brent Usewils, Hannes Van Parijs, Jonas Veys, Edouard Wallays, Nick Wenmaekers.

 

*p. 78-79

Tekst in originele opmaak: https://drive.google.com/file/d/16K_7VLAlyxncbm97a0XVhqAmJjLzl2o_/view?usp=sharinghttps://drive.google.com/file/d/1YSB33lA5rdTt-HSYtJBGblB4fBHEaQvA/view?usp=sharing

Showing 1 reaction

Please check your e-mail for a link to activate your account.
  • Philippe Nys
    published this page in Jong VLD Papers 2021-03-01 11:54:11 +0100